‘Belangrijke gastsprekers haalde ik met mijn fiets op’

Verschenen in Trouw, 23 januari 2010.

De eerste baan legt de basis voor later. GroenLinks Kamerlid Jolande Sap (1963 ), onlangs verkozen tot politiek talent 2009, begon met het universitair scholen van ’minder machtigen.’

„Ik werkte met een dienstweigeraar, samen runden we het bureau van de leergang ’Ontwikkelingsproblematiek’ aan de universiteit van Tilburg. De cursus was toegankelijk voor iedereen, behalve voor de gewone studenten. In die tijd wilde de universiteit nog echt iets betekenen voor de ’normale’ Tilburger, het was midden jaren tachtig en de universiteit van Tilburg was toen nog een rood bolwerk. De heersende opvatting was: Je hersens stel je in dienst van de minder machtigen.

Als coördinator van de leergang gaf ik leiding aan dertig vrijwilligers: studenten, mensen van de derde wereldbeweging en anderen die zich wilden inzetten voor een betere wereld. Samen met de vrijwilligers zorgde ik voor het inhoudelijk programma, daarnaast was ik verantwoordelijk voor het lesmateriaal, en bij een conflict werd ik ingeschakeld.

 

De vrijwilligers gaven de wekelijkse cursus aan een ieder die maar geïnteresseerd was: buschauffeurs, verpleegsters en ook huisvrouwen, WAO’ers en werklozen. Tijdens de bijeenkomsten ging het over ontwikkelingslanden, de oorzaken van honger en armoede, de internationale handel en de positie van vrouwen. We wilden mensen bewust maken van de samenhang tussen de problemen daar en hier. Tegelijkertijd wilden we cursisten laten zien dat ze zelf een verschil kunnen maken door actief te worden en zich in te zetten voor verandering.

Ter voorbereiding had ik voor alle vrijwilligers een weekend georganiseerd in Vught, daar zouden we het lesprogramma bespreken en voorbereiden, het ging allemaal heel democratisch. Ik vond het ongelooflijk spannend: ik was 23 en er zaten mensen bij die veel ouder waren en al jaren actief waren in het ontwikkelingswerk. Ik voelde me even heel klein, maar gelukkig werd ik gelijk geaccepteerd.

Tijdens de cursussen bespraken de deelnemers de stof met elkaar. Als een deelnemer na lezing van een artikel van een econoom of socioloog uitriep: ’Wat een complotdenker!’, ging de hele groep met elkaar in gesprek. Het belangrijkste was dat iedereen meedeed. Daarnaast kwam er regelmatig een wetenschapper of een europarlementariër een lezing geven. Die haalde ik dan met m’n fiets op van het station.

Ik heb dat jaar geleerd goed samen te werken, en tegelijkertijd een heel programma te organiseren. Werken met vrijwilligers vereist een bepaalde houding: je moet niet gelijkhebberig zijn. Zij werken vanuit hun eigen passie, daar moet je respect voor hebben. Die houding helpt me ook in de Tweede Kamer. Dominant zijn brengt je nergens.”